De vraag die alles verandert
Geen persoon heeft de geschiedenis méér gevormd dan Jezus van Nazareth. Maar wie was Hij nu echt? We beginnen bij het begin: heeft Hij eigenlijk wel bestaan?
Heeft Jezus echt bestaan?
Onder historici bestaat daarover nauwelijks discussie. Vrijwel alle deskundigen (gelovig of niet) zijn het erover eens dat Jezus van Nazareth een echt mens was: iemand die in de eerste eeuw in Galilea en Judea leefde, een beweging op gang bracht en onder de Romeinse stadhouder Pontius Pilatus werd gekruisigd.
Dat weten we niet alleen uit de Bijbel. Ook bronnen van búiten het christendom bevestigen het:
Daar komt bij dat geen enkele tekst uit de oudheid zó goed is overgeleverd als het Nieuwe Testament. Er zijn duizenden handschriften in verschillende talen bewaard gebleven, waarvan sommige verrassend kort na de gebeurtenissen zijn opgeschreven. De berichten over Jezus behoren daarmee tot de best gedocumenteerde van de hele oudheid.
De échte vraag is dus niet of Jezus heeft bestaan, maar wie Hij is. Was Hij slechts een wijze leraar, of werkelijk de Zoon van God? De Bijbel laat daarover geen twijfel bestaan, en vat het in één bekende zin samen:
„Want zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft. Want God heeft Zijn Zoon niet in de wereld gezonden opdat Hij de wereld zou veroordelen, maar opdat de wereld door Hem behouden zou worden.”
„Iemand die slechts een mens was en zei wat Jezus zei, zou geen groot moreel leraar zijn. Hij zou óf een krankzinnige zijn … óf de Zoon van God.”
De mooiste moraal die ooit is onderwezen
Lees wat Jezus werkelijk zéi, en je begrijpt waarom zelfs wie niet in Hem gelooft Hem een groot leraar noemt. In de Bergrede (drie hoofdstukken in het evangelie van Matteüs) tekent Hij een moraal die haar gelijke niet kent: oordeel niet, vergeef wie je kwaad doet, geef zonder er iets voor terug te verwachten, en heb zelfs je vijanden lief. Tweeduizend jaar later voelen die woorden nog altijd als de hoogste lat die een mens zich kan voorstellen.
Maar er schuilt iets diepers in. Waarom raken die woorden ons eigenlijk? Waarom weten we (van binnenuit, zonder dat iemand het ons hoeft te leren) dat kwaad verkeerd is en goedheid juist? Een dier kent dat niet. Een leeuw die doodt is niet „slecht”, een aap die zijn rivaal verjaagt is niet „onrechtvaardig”. Maar van een mens verwachten we beter, en doet hij het niet, dan noemen we dat onrecht.
Als wij niets méér zijn dan het resultaat van blinde evolutie, van het overleven van de sterkste, waar komt dat besef van goed en kwaad dan vandaan? Waarom dragen wij, en wij alleen, een moreel kompas met ons mee? Een kompas wijst naar een richting (noord, zuid) die het kompas niet zélf heeft gemaakt. Zo wijst ook ons geweten ergens heen. Als goed en kwaad echt bestaan, dan moet er een Bron van het goede zijn. Als er een morele wet is, dan moet er ook een morele Wetgever zijn. En die Bron is God, Schepper van hemel en aarde.
Het was juist deze gedachte die C. S. Lewis, ooit een overtuigd atheïst, tot geloof bracht. En het is dezelfde Jezus die ons niet alléén heeft verteld wat goed is, maar het ook volmaakt heeft voorgeleefd. Zijn woorden in de Bergrede zijn geen vrijblijvend advies, het is de stem van die Bron zelf.
„De twee belangrijkste dagen in je leven zijn de dag waarop je geboren wordt en de dag waarop je ontdekt waarom.”
De weg naar God in zes verzen
Hoe kom je bij God? In zijn brief aan de Romeinen legt de apostel Paulus het stap voor stap uit. Deze zes verzen worden ook wel de Romans Road genoemd: een heldere weg van het probleem (onze zonde) naar de oplossing: genade door Jezus, en het antwoord van geloof.
Lees de verzen rustig door. Herken je jezelf erin? Dan moedigen we je van harte aan om te bidden, met de woorden van het gebed hieronder of gewoon in je eigen woorden. Het hoeft niet mooi of plechtig, want God kijkt naar je hart. Hij wacht op je antwoord.
-
3:10
zoals geschreven staat: Er is niemand rechtvaardig (helemaal goed en zonder schuld voor God), ook niet één,
-
3:23
Want allen hebben gezondigd en missen de heerlijkheid van God (zijn glorie en nabijheid),
-
3:28
Wij komen dus tot de slotsom dat de mens door het geloof gerechtvaardigd (door God vrijgesproken) wordt zonder werken van de wet (zonder eigen prestaties).
-
6:23
Want het loon van de zonde is de dood, maar de genadegave (het onverdiende geschenk) van God is eeuwig leven, door Jezus Christus, onze Heere.
-
10:9
Als u met uw mond de Heere Jezus belijdt (hardop erkent) en met uw hart gelooft dat God Hem uit de doden heeft opgewekt, zult u zalig (gered) worden.
-
10:13
Want ieder die de Naam van de Heere zal aanroepen (in gebed om redding roept), zal zalig worden.
Een gebed
Vader in de hemel, Jezus Christus,
ik roep tot U.
Ik weet: ik ben een zondaar
en ik weet dat ik de hel verdien.
Maar ik geloof dat U bent gestorven
aan het kruis voor mij
en weer bent opgestaan uit de dood.
Jezus Christus, red mij nu
en geef mij het eeuwige leven.
Ik vertrouw alleen op Uw werk
en niet langer mijn eigen werk.
Dank U wel, amen.