Artikel

Hoe kijken wij naar Israël?

Rondom Israël is er veel gaande, en er gaat ook veel misverstand en misinformatie rond. Daarom willen we als gemeente helder en met liefde uitleggen hoe wij hiernaar kijken vanuit de Bijbel. Dit is een wat langer artikel, dus neem er gerust de tijd voor. En het allerbelangrijkste: pak eerst zelf je Bijbel en lees mee.

Deel dit artikel

Waarom we hier toch over schrijven

We weten dat dit onderwerp gevoelig ligt en dat oprechte gelovigen hierover verschillend kunnen denken. Bij het lezen of bespreken ervan kunnen emoties hoog oplopen. Toch willen we het niet uit de weg gaan, niet om een discussie te winnen of ons gelijk te halen, maar omdat het ten diepste over Jezus gaat en omdat we verlangen dat God wordt verheerlijkt. We nodigen je daarom uit om met een open Bijbel mee te lezen en zelf te blijven onderzoeken wat de Schrift ons hierin leert. Niet voor niets vertelt Jezus de gelijkenis van de lamp: het Woord van God geeft licht op ons pad (Psalm 119:105). Daarbij klinkt Zijn oproep: "Let er dan op hóe u luistert" (Lukas 8:18). Die woorden willen we allereerst ook op onszelf betrekken: laten we ontvankelijk blijven voor Gods Woord en bereid zijn onze eigen overtuigingen steeds opnieuw in Zijn licht te toetsen.

„omdat Hij ons vóór de grondlegging van de wereld in Hem uitverkoren heeft, opdat wij heilig en smetteloos voor Hem zouden zijn in de liefde.”
Efeze 1:4

Alles draait om "in HEM"

In Efeze 1 schrijft Paulus dat God ons "gezegend heeft met alle geestelijke zegeningen in de hemelse gewesten in Christus" (vers 3). Uitverkiezing, aanneming tot kinderen, verlossing, vergeving, de erfenis, de verzegeling met de Heilige Geest: het zijn allemaal geestelijke zegeningen, en ze zijn allemaal "in Hem". Dat kleine zinnetje, "in Hem" of "in Christus", komt in het Nieuwe Testament meer dan honderdvijftig keer voor.

Let vooral op vers 4. Daar staat dat God ons "vóór de grondlegging van de wereld in Hem uitverkoren" heeft. Die twee woordjes, "in Hem", zijn beslissend. De uitverkiezing staat niet los van Christus, maar ligt helemaal in Christus. Buiten Hem zijn we niet uitverkoren. En je bent pas "in Hem" wanneer er een werkelijke verbinding is, een levende relatie met Christus. Zonder die relatie zijn we niet in Hem, en dus ook niet in Hem uitverkoren.

Buiten Christus heb je niets. Maar hoe kom je dan in Christus? Dat doen we niet zelf. "Maar uit Hem bent u in Christus Jezus" (1 Korinthe 1:30). Het is God die ons in Christus plaatst, en Hij doet dat wanneer wij gaan geloven: "Als u met uw mond de Heere Jezus belijdt en met uw hart gelooft dat God Hem uit de doden heeft opgewekt, zult u zalig worden" (Romeinen 10:9). Geloof in het volmaakte offer van Jezus Christus is de enige manier waardoor we in Hem komen.

„Daarbij is het niet van belang dat men Jood is of Grieks, slaaf of vrije, man of vrouw; want allen bent u één in Christus Jezus. En als u van Christus bent, dan bent u Abrahams nageslacht en overeenkomstig de belofte erfgenamen.”
Galaten 3:28-29

God heeft één uitverkoren volk

De Bijbel noemt de uitverkorenen "Gods volk". Onder het oude verbond was dat het volk Israël, de twaalf stammen. Onder het nieuwe verbond zijn dat de gelovigen. Maar let op iets belangrijks: de uitverkiezing was en is nooit de voorwaarde om gered te worden, niet onder het oude verbond en ook niet onder het nieuwe. In beide gevallen is die voorwaarde hetzelfde: geloof. Niet alle Israëlieten waren automatisch gered, en Rachab, die geen Israëliet was, werd juist wél behouden, door haar geloof.

In Galaten 3 maakt Paulus het heel duidelijk. De belofte werd gedaan aan Abraham en aan zijn Nageslacht, "dat is Christus" (vers 16). En even verder: "want allen bent u één in Christus Jezus. En als u van Christus bent, dan bent u Abrahams nageslacht en overeenkomstig de belofte erfgenamen" (vers 28-29). God heeft geen aanzien des persoons en kiest niet op afkomst. Er is dus maar één volk van God: zij die in Christus zijn. In Efeze 2:14 lezen we dan ook: "Want Hij is onze vrede, Die beiden één gemaakt heeft, en door de tussenmuur, die scheiding maakte, af te breken." In Christus zijn Jood en heiden één geworden.

„Maar u bent een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilig volk, een volk dat God Zich tot Zijn eigendom maakte; opdat u de deugden zou verkondigen van Hem Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht.”
1 Petrus 2:9

Uitverkoren, maar waarvoor?

Waar is die uitverkiezing dan voor? Niet om te bepalen wie er gered wordt, maar om een taak te vervullen. In Efeze 1:4 staat het doel: "opdat wij heilig en smetteloos voor Hem zouden zijn in de liefde." En in 1 Petrus 2:9: "u bent een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilig volk ... opdat u de deugden zou verkondigen van Hem Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht."

Het mooie is: dat is precies dezelfde roeping als die de twaalf stammen kregen. In Exodus 19:5-6 zegt God tegen Israël dat zij "een koninkrijk van priesters en een heilig volk" zouden zijn. Dezelfde woorden, dezelfde roeping: toen tegen de twaalf stammen, nu tegen de gelovigen. We zijn uitverkoren met een doel, namelijk om de deugden te verkondigen van Hem die ons uit de duisternis riep.

Lees trouwens goed wat er in Exodus 19 precies staat, want het was wel degelijk voorwaardelijk: "Als u nauwgezet Mijn stem gehoorzaamt en Mijn verbond in acht neemt, dán zult u uit alle volken Mijn persoonlijk eigendom zijn" (Exodus 19:5). Een duidelijk "als ... dán". En dat "als" is niet gelukt; het volk hield Gods verbond niet. Juist daarom is dat oude verbond ook ten einde gekomen, en gaf God een nieuw en beter verbond in Christus.

Het nieuwe verbond is een verbond van het hart

In Hebreeën 8 lezen we hoe het nieuwe verbond anders is dan het oude. Onder het oude verbond stond de wet op stenen tafelen, buiten de mens. In het nieuwe verbond schrijft God Zijn wet ín het hart: "Ik zal Mijn wetten in hun verstand geven en Ik zal die in hun hart schrijven" (vers 10). En dat doet Hij bij wie zich aan Hem toevertrouwt, bij wie gelooft. Het is geen verbond van afkomst meer, maar een verbond van het hart, met Jezus Christus als Middelaar. En dit mag je echt aanvaarden: in Jezus Christus zijn ook wij onderdeel geworden van het "huis van Israël" waar de Bijbel over spreekt.

„Daarom zeg Ik u dat het Koninkrijk van God van u weggenomen zal worden en aan een volk gegeven dat de vruchten ervan voortbrengt.”
Mattheüs 21:43

Wat wij wél en niet bedoelen met vervangingstheologie

In deze context is het goed om te benoemen hoe wij vervangingstheologie zien. Al snel wordt dat label namelijk ergens op geplakt, en daarmee meteen gezegd dat het onbijbels zou zijn. Maar ook rond dat woord bestaat veel verwarring, want niet iedereen bedoelt er hetzelfde mee. De vervangingstheologie zoals die rond de Tweede Wereldoorlog klonk, is iets heel anders dan de Bijbelse vervangingstheologie die wij bedoelen.

Vaak wordt het zo uitgelegd: de kerk is in de plaats van Israël gekomen en het Joodse volk is afgeschreven, alsof het niet meer gered zou kunnen worden. Dat geloven wij absoluut niet. Romeinen 11 is helder: als zij niet in het ongeloof blijven, kunnen zij weer worden ingeënt, "want God is machtig hen opnieuw te enten" (Romeinen 11:23).

Als het gaat om de redding is er namelijk niets vervangen. De redding is nog altijd even toegankelijk als voorheen: voor de Jood en voor de Griek, uit genade, door geloof, in Jezus Christus. De deur staat wijd open, ook voor het Joodse volk.

Wat wél verschoven is, is de uitverkiezing tot een taak. En die taak is duidelijk: Gods licht laten schijnen. "Laat uw licht zo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken zien en uw Vader, Die in de hemelen is, verheerlijken" (Mattheüs 5:16). Die roeping, het dragen van de vruchten van Gods Koninkrijk, is weggenomen bij de overgebleven stammen en onder het nieuwe verbond toevertrouwd aan de gelovigen. Dat is precies wat Jezus zelf zegt in Mattheüs 21:43: "Daarom zeg Ik u dat het Koninkrijk van God van u weggenomen zal worden en aan een volk gegeven dat de vruchten ervan voortbrengt." Het is het beeld van de wijngaard die overgaat naar wie er de vruchten van voortbrengt.

Heel precies gezegd: de gelovigen zijn níet in de plaats van etnisch Israël gekomen als het gaat om de redding, maar wél als het gaat om het uitvoeren van de taak. In die zin, en alleen in die zin, staan wij achter wat "vervangingstheologie" wordt genoemd.

„Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt, zal Ik vervloeken; en in u zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden.”
Genesis 12:3

Moeten we Israël dan niet zegenen?

Misschien heb je een vraag in gedachten: moeten we Israël dan niet zegenen? Genesis 12 vers 3 wordt door christenen op verschillende manieren uitgelegd. Veel gelovigen verstaan dit vers als een oproep om ook de huidige staat Israël te zegenen. Wij lezen deze tekst anders en willen graag uitleggen waarom. Laten we precies lezen wat er staat: "Ik zal zegenen wie u zegenen" (Genesis 12:3). Het gaat hier over Abraham, en daarbij vallen twee dingen op.

Ten eerste was Abraham zelf geen Israëliet, maar een heiden die door God geroepen werd, nog voordat het volk Israël bestond. Hij is juist de vader geworden van allen die geloven. Ten tweede is deze zegen verbonden aan Abraham en aan zijn nageslacht. En zoals we eerder in Galaten 3 zagen, is dat Nageslacht Christus, en wie van Christus zijn, horen bij Abrahams nageslacht (Galaten 3:16 en 29). De oproep om "Abraham en zijn nageslacht" te zegenen wijst ons dus naar het zegenen van wie in Hem zijn. Het is geen opdracht om een moderne staat of een volk naar afkomst te zegenen, maar om lief te hebben en te zegenen wie bij Abrahams ware nageslacht horen: de gelovigen, in Christus.

Het Bijbelse Israël en de staat van 1948

Hier is het belangrijk om twee dingen uit elkaar te houden. Aan de ene kant het Bijbelse, geestelijke "Israël" (allen die in Christus zijn), en aan de andere kant de moderne staat met diezelfde naam, opgericht in 1948. Dat zijn twee verschillende dingen. We mogen ze niet zomaar aan elkaar gelijkstellen of met elkaar vermengen, want als we dat wél doen, halen we het hele nieuwe verbond onderuit. Dat nieuwe verbond is namelijk niet verbonden aan een land of een afkomst, maar aan het bloed van Christus. Jezus zegt het zelf bij het laatste avondmaal: "Deze drinkbeker is het nieuwe verbond in Mijn bloed, dat voor u vergoten wordt" (Lukas 22:20). Dit is geen politieke uitspraak over een land of een conflict; het gaat ons puur om wat de Bijbel bedoelt met "Gods volk".

De keuze om de moderne staat in 1948 de naam "Israël" te geven, heeft er mede toe geleid dat christenen het Bijbelse Israël en de huidige staat soms direct met elkaar verbinden. Juist daarom is het belangrijk om zorgvuldig te onderscheiden welke betekenis het woord "Israël" in een bepaalde Bijbeltekst heeft. De landsbelofte zelf gaat namelijk niet over een staat met die naam, maar over Kanaän, het land dat God aan Abraham en zijn nageslacht beloofde (Genesis 12:5). Laat daarom goed tot je doordringen dat "Israël" in de Bijbel niet hetzelfde is als het land in het Midden-Oosten: waar de Schrift over Israël spreekt, gaat het niet over een staat of een stuk grond, maar over Gods volk, allen die in Christus zijn. We mogen daarbij best de vraag stellen of die naamskeuze niet een tactiek van de tegenstander is, want het lichaam van Christus wordt er ernstig door verdeeld.

„En Ik zal aan u en uw nageslacht na u het land waar u vreemdeling bent, heel het land Kanaän, als eeuwig bezit geven; en Ik zal hun tot een God zijn.”
Genesis 17:8

Hoe zit het dan met de landsbelofte?

Hoe we verstaan wie in de Schrift met Gods volk wordt bedoeld, heeft grote invloed op de manier waarop we de profetieën en de landsbelofte lezen. Veel van die beloften worden "eeuwig" genoemd, en juist dat woord vraagt om aandacht. Eeuwig betekent: zonder begin en zonder einde. Het verbond met de twaalf stammen, het verbond van Sinaï, was van tijdelijke aard. De schrijver van de Hebreeënbrief zegt het zo: "Als Hij spreekt van een nieuw verbond, heeft Hij daarmee het eerste oud gemaakt. En wat oud gemaakt is en wat veroudert, is dicht bij de verdwijning" (Hebreeën 8:13). Het verbond met Abraham daarentegen is het eeuwige verbond. En hier is het goed om geen verwarring te laten ontstaan. Het nieuwe verbond is niet zomaar een ánder verbond dat het eeuwige aflost of afbreekt, maar de vervulling van de belofte die God in dat eeuwige verbond aan Abraham deed. Het is echt een nieuw verbond, met een nieuwe grond en een nieuwe Middelaar, en tegelijk de voortzetting van het eeuwige: want onder dit nieuwe verbond staat alles in het bloed van Christus, en Christus is eeuwig. Zo blijft het eeuwige karakter van de belofte volledig overeind, niet in stenen tafelen of in afkomst, maar in Hem. En juist daarom blijft dit nieuwe verbond tot in eeuwigheid bestaan. Wat een wonder dat God Zich zo aan Zijn belofte houdt.

Abraham ontvangt van God de landsbelofte, voor zijn nageslacht: "Ik zal aan u en uw nageslacht na u het land ... als eeuwig bezit geven" (Genesis 17:8). Ook dat moeten we lezen in het licht van Galaten 3. Want wie is Abrahams nageslacht? "En aan uw Nageslacht; dat is Christus" (Galaten 3:16). Het land is dus voor eeuwig beloofd aan Christus, en aan allen die in Hem zijn. Stel je eens voor dat dit zou gaan over het etnische nageslacht van Abraham. Hoe valt dan te verklaren dat het volk tot drie keer toe uit het land is gezet, waarbij het jaar 70 na Christus geldt als de definitieve verstrooiing? Die verstrooiingen waren geen toeval, maar telkens een oordeel van God, precies zoals Hij in de wet al had gewaarschuwd (Deuteronomium 28). Jezus zelf kondigde de verwoesting van Jeruzalem aan, omdat het volk de tijd van Gods bezoek niet had onderkend (Lukas 19:44). Een eeuwige belofte die aan afkomst hangt, laat zich daar moeilijk mee rijmen; een belofte die in Christus ligt juist wél, want Hij blijft tot in eeuwigheid.

God laat trouwens niet in het vage wat Hij aan Abraham belooft. In Genesis 15 noemt Hij zelfs de grenzen van het land: "van de rivier van Egypte af tot aan de grote rivier, de rivier de Eufraat" (Genesis 15:18). Juist die belofte wordt vandaag ingeroepen om er territoriale aanspraken op te bouwen, tot aan het idee van een Groot-Israël toe. Maar bedenk dat het volk die grenzen in de geschiedenis al bereikt heeft: het rijk van koning Salomo strekte zich uit van de Eufraat tot aan de grens van Egypte (1 Koningen 4:21). God heeft Zijn belofte dus al eens ingelost.

Verder zien veel christenen het jaar 1948 als een bijzondere vervulling van Gods beloften. Wij plaatsen daar vanuit deze uitleg een vraagteken bij. Wanneer we de in Genesis 15 genoemde grenzen erbij betrekken, zien we dat de huidige staat slechts een deel van dat gebied omvat. Voor ons is dat een aanwijzing om de uiteindelijke vervulling van de belofte niet primair in een moderne staat te zoeken, maar in Christus. Daarmee willen we niet ontkennen dat anderen deze gebeurtenissen anders duiden, maar wel duidelijk maken hoe wij tot onze lezing komen.

En de volle vervulling is nog onderweg. Wanneer Jezus terugkomt, zal Hij als Koning regeren, samen met de gelovigen. In Openbaring lezen we dat Hij ons "tot koningen en priesters" heeft gemaakt en dat wij als koningen zullen regeren (Openbaring 5:10). Johannes ziet zelfs tronen, waarop de gelovigen plaatsnemen en met Christus regeren (Openbaring 20:4 en 6). Zo komt de landsbelofte tot haar volle vervulling: niet los van Christus, maar juist in Hem en met Hem.

Er is nog een reden waarom een puur etnische lezing niet standhoudt. Stel dat de belofte wél over de bloedlijn van Abraham zou gaan, waarom zouden dan alleen de Joden recht hebben op dat land? Abraham had namelijk acht zonen: niet alleen Izak, maar ook Ismaël en de zes zonen van Ketura (Genesis 25:1-2). Ook zij behoren naar afkomst tot zijn nageslacht. De belofte ging echter nooit over louter bloedverwantschap, maar liep door de lijn van de belofte, via Izak en Jakob, en die lijn komt uiteindelijk uit bij de ene Erfgenaam, Christus (Galaten 3:16), en bij allen die in Hem zijn.

Niet voor niets schrijft Paulus dat Abraham en zijn nageslacht "erfgenaam van de wereld" zouden zijn, en wel door het geloof (Romeinen 4:13). In Christus is de belofte zelfs groter geworden dan één stuk land; ze reikt tot heel de aarde. Abraham zelf keek daar trouwens al naar uit: hij verwachtte "de stad die fundamenten heeft, waarvan God de Bouwer en Ontwerper is" (Hebreeën 11:10).

Dan blijft er nog een eenvoudige vraag over: als je niet bij Abrahams nageslacht hoort, heb je dan deel aan de belofte voor de erfgenamen (Galaten 3)? En erf je dan ook het land dat voor eeuwig aan Abraham beloofd is? Wie de Bijbel nauwkeurig leest, kan maar één conclusie trekken: je krijgt alleen door geloof in Jezus Christus deel aan de belofte. Niet je afkomst, niet je religie, maar Christus alleen.

Maar de Joden komen toch tot bekering bij de wederkomst?

Een veelgehoord argument is dat het Joodse volk massaal tot bekering komt zodra het bij de wederkomst Jezus Christus zal zien. Wij zien in de eindtijdgedeelten geen ondubbelzinnige uitspraak dat het Joodse volk als geheel bij de wederkomst tot geloof zal komen. Dat is een belangrijk gegeven in onze uitleg, al weten we dat andere christenen deze teksten anders verstaan. De verdrukking speelt zich af in de eerste zes zegels, waarna Jezus komt om de gelovigen op te halen op de dag des Heeren. Dan, bij het zevende zegel, breekt Gods toorn aan, en ten slotte komt Jezus om oorlog te voeren tegen het beest (de Antichrist). Nergens in dat geheel wordt gesproken over een bekering van het huis van David. Ook in de eindtijdrede van Jezus zelf zien we dat heel duidelijk: in Mattheüs 24 vers 29 tot 31 verschijnt het teken van de Mensenzoon, weeklagen alle stammen van de aarde en worden de uitverkorenen van de vier windstreken bijeengebracht, maar van een bekering van het huis van David is ook daar met geen woord sprake.

Toch worden bepaalde profetieën, met name die van Zacharia en Ezechiël, vaak op de eindtijd geplakt. Een deel van deze uitleg hangt samen met de zogenoemde bedelingenleer, een stroming die in haar huidige vorm vooral vanaf de negentiende eeuw grote invloed kreeg. Wij volgen die uitleg niet en lezen deze profetieën vanuit een andere Bijbelse samenhang. Wil je hier meer over weten, kijk dan eens bij onze bijbelstudies.

„Maar over het huis van David en over de inwoners van Jeruzalem zal Ik de Geest van de genade en van de gebeden uitstorten. Zij zullen Mij aanschouwen, Die zij doorstoken hebben. Zij zullen over Hem rouw bedrijven, als met de rouwklacht over een enig kind; en zij zullen over Hem bitter klagen, zoals men bitter klaagt over een eerstgeborene.”
Zacharia 12:10

Laten we het concreet maken aan de hand van Zacharia 12 vers 10, het vers dat hierbij steeds wordt aangehaald. In dat vers zitten twee aspecten. Ten eerste: "zij zullen Mij aanschouwen, Die zij doorstoken hebben." Ten tweede: zij zullen over Hem rouw bedrijven, met name de vrouwen (vers 11 tot 14). Als we deze twee naast de rest van de Schrift leggen, komen we bij twee momenten uit. Het aanschouwen vinden we terug in Johannes 19: dat deel van de profetie wordt vervuld wanneer Jezus aan het kruis is genageld. Johannes legt in vers 37 zelf de link met Zacharia, en wel uitdrukkelijk als vervulde Schrift: "En verder zegt een ander Schriftwoord: Zij zullen zien op Hem Die zij doorstoken hebben." Johannes ziet de profetie van Zacharia hier dus letterlijk in vervulling gaan aan het kruis.

Het rouw bedrijven, en juist door de vrouwen, vinden we terug in Lukas 23 vers 27, op de weg naar het kruis. Daar wordt de profetie van Zacharia dus vervuld. Maar nu komt het belangrijkste. Op dat moment doet Jezus er meteen een nieuwe profetie bovenop, en dáár gaat het wél over de eindtijd. Die nieuwe profetie lijkt sterk op die van Zacharia, maar er zit een essentieel verschil in. Want heeft Jezus het dan ook over bekering? Nee. Hij zegt dat men zal roepen tegen de bergen: "Val op ons" (Lukas 23:30), mensen die Jezus willen ontlopen in plaats van Hem te aanvaarden. En dat is precies wat we ook terugvinden in Openbaring 6 vers 16, waar men tegen de bergen en de rotsen roept: "Val op ons en verberg ons."

In Openbaring 1 vers 7 staat dat elk oog Hem zal zien wanneer Hij komt, en dat alle stammen van de aarde over Hem rouw zullen bedrijven. Let op dat het hier niet meer alleen om het huis van David gaat, zoals bij Zacharia, maar om álle stammen van de aarde. Zij zullen weeklagen, omdat zij zullen moeten erkennen dat Jezus de Christus is. Maar betekent dat dan dat iedereen door dat weeklagen behouden wordt? Nee, dat rijmt niet met de rest van Openbaring. Erkennen dat Jezus de Christus is, is iets anders dan Hem in geloof aannemen tot redding.

Jezus zegt trouwens zelf waar het bij dat zien op aankomt. Tegen Jeruzalem sprak Hij: "Want Ik zeg u: U zult Mij van nu af aan niet zien, totdat u zegt: Gezegend is Hij Die komt in de Naam van de Heere" (Mattheüs 23:39). Het draait dus om de belijdenis: pas wie Hem in geloof belijdt als de Gezegende die komt in de Naam van de Heere, zal Hem werkelijk zien. En zolang die belijdenis er niet is, zullen zij Hem niet zien.

Tot slot dit. De Bijbel zegt dat "de Joden om een teken vragen" (1 Korinthe 1:22). Maar dat teken hebben ze gehad. Jezus deed talloze tekenen, en zelfs een leraar als Nicodemus erkende: "wij weten dat U als leraar van God gekomen bent, want niemand kan deze tekenen doen die U doet, als God niet met hem is" (Johannes 3:2). Nicodemus erkende daarmee dat de tekenen van Jezus wezen op Gods werkzaamheid. Tegelijk laat het Evangelie zien dat zulke tekenen op zichzelf niet automatisch tot geloof leiden. Daarom menen wij voorzichtig te moeten zijn met de gedachte dat het zien van een toekomstig teken vanzelf tot een massale bekering zou leiden. Een Bijbelse onderbouwing kunnen wij niet vinden.

„Wat Israël zoekt, dat heeft het niet verkregen, maar het uitverkoren deel heeft het verkregen, en de overigen zijn verhard.”
Romeinen 11:7

En Romeinen 11 dan? "Heel Israël zal zalig worden"

Misschien is er nog één tekst die blijft hangen, en het is meteen de bekendste: "En zo zal heel Israël zalig worden" (Romeinen 11:26). Wordt hier dan niet beloofd dat heel het volk Israël uiteindelijk gered wordt? Het mooie is dat Paulus het in hetzelfde hoofdstuk zelf uitlegt. Een paar verzen eerder schrijft hij namelijk: "Wat Israël zoekt, dat heeft het niet verkregen, maar het uitverkoren deel heeft het verkregen, en de overigen zijn verhard" (Romeinen 11:7). Niet héél Israël naar afkomst heeft het dus verkregen, maar het uitverkoren deel, oftewel het gelovige deel. Dat de verharding van dat deel geen tijdelijke fase is die vóór het einde alsnog omslaat in een volksbekering, onderstreept Paulus elders nog. Over hen die het Evangelie tegenstonden schrijft hij: "En de toorn is over hen gekomen tot het einde" (1 Thessalonicenzen 2:14-16).

Paulus laat ook zien hoe dat verloopt. Het gelovige, uitverkoren deel hoort bij Israël, en juist in deze tijd komt "de volheid van de heidenen" erbij (Romeinen 11:25). Zo wordt het ware, geestelijke Israël stap voor stap compleet, totdat het in Gods ogen voltallig is. En dán, wanneer al die gelovigen samen zijn toegebracht, "zo zal heel Israël zalig worden."

Paulus laat dit trouwens niet alleen in Romeinen 11 zien; eerder in dezelfde brief maakt hij het al scherp. In Romeinen 9 vers 6 schrijft hij: "niet allen die uit Israël voortgekomen zijn, zijn Israël." Afstamming maakt je dus nog geen deel van het ware Israël. En in Romeinen 2 vers 28 en 29 gaat hij nog een stap verder: "niet híj is Jood die het in het openbaar is ... maar híj is Jood die het in het verborgene is, en de besnijdenis is die van het hart." Paulus benadrukt hier dat uiterlijke afkomst op zichzelf niet voldoende is om de geestelijke werkelijkheid te beschrijven; hij richt de aandacht op het hart en op Gods werk daarin.

Dat sluit naadloos aan bij wat we eerder zagen. "Heel Israël" is niet de hele staat of het hele volk naar afkomst, maar het volle getal van de gelovigen: allen die in Christus zijn, uit de Joden én uit de heidenen, samen één volk van God (Galaten 3, Efeze 2). Romeinen 11 spreekt zichzelf dus niet tegen, en het spreekt ook de rode draad van dit artikel niet tegen. Het bevestigt die juist: je hoort bij Gods volk door geloof in Jezus Christus, en op geen enkele andere manier.

Juist rond deze tekst is nog iets belangrijks op te merken. "Israël" is de naam die God aan Jakob gaf, en ziet dus in de eerste plaats op de nakomelingen van Jakob. Maar juist daar wringt iets: sinds de verstrooiing zijn de geslachtsregisters verloren gegaan, en niemand kan vandaag nog met zekerheid aantonen dat hij werkelijk van Jakob afstamt. Die afkomst laat zich dus niet meer hard maken, en dat is veelzeggend, want de Bijbel heeft afkomst ook nooit tot maatstaf gemaakt. Een naam of een claim bewijst op zichzelf niets; de Schrift spreekt zelfs over "hen die zeggen dat zij Joden zijn en het niet zijn" (Openbaring 3:9). Paulus roept ons er dan ook toe op om ons niet te verliezen in eindeloze geslachtsregisters en de twisten die daaruit voortkomen, want onder het nieuwe verbond doen die eenvoudigweg niet meer ter zake (1 Timotheüs 1:4; Titus 3:9). Binnen de lijn van dit artikel leggen we daarom de nadruk niet op een aantoonbare stamboom, maar op de geestelijke werkelijkheid waarop Paulus wijst: het hart dat door God wordt vernieuwd en het geloof in Jezus Christus. Daarbij willen we zorgvuldig blijven spreken over Joodse identiteit: Paulus ontkent de betekenis van zijn eigen Joodse afkomst niet, maar laat wel zien dat afkomst op zichzelf geen grond voor redding is.

Een liefdevolle waarschuwing

In Spreuken 17:15 staat: "Wie de goddeloze vrijspreekt en wie de rechtvaardige schuldig verklaart, zijn voor de HEERE een gruwel, allebei." Wanneer wij spreken over "het uitverkoren volk van God", willen we dat begrip zorgvuldig vanuit Christus en het Nieuwe Testament invullen. Daarbij past geen veroordeling of geringschatting van Joodse mensen. Integendeel: Paulus spreekt met diepe liefde en verdriet over zijn volksgenoten en verlangt naar hun redding (Romeinen 9:1-3; 10:1). Ook wij willen met diezelfde bewogenheid spreken. Verschillen tussen het christelijk geloof en het rabbijnse Jodendom mogen eerlijk benoemd worden, maar altijd met respect voor mensen en zonder hen als groep te veroordelen. En laten we niet vergeten dat Jezus huilde over Jeruzalem (Lukas 19:41); laten we de pijn in Gods hart serieus nemen.

En die waarschuwing geldt minstens zo sterk voor onszelf. In de Bijbel wordt Israël op verschillende momenten aangesproken op halsstarrigheid, maar dat geeft ons geen enkele reden om ons boven hen te verheffen. Ook wij zijn mensen van vlees en bloed en kunnen doof worden voor Gods stem. Daarom lezen we zulke waarschuwingen allereerst met de vraag wat God daarmee tegen óns wil zeggen. De indringende waarschuwing klinkt: God zou ook over ons hetzelfde kunnen concluderen als over het volk in Exodus 33. Daar zegt Hij, juist vanwege hun halsstarrigheid: "Ik zal Zelf niet in uw midden meetrekken" (Exodus 33:3). Wat een ernstige gedachte: dat God zou kunnen zeggen dat het beter is om niet langer in het midden van de gemeente te zijn. Dat gaat niet over Zijn inwoning in ons persoonlijk, want door de Heilige Geest woont Hij in ieder die gelooft, en dat verandert niet. Het gaat erom dat Zijn aanwezigheid en zegen zich kunnen terugtrekken uit een gemeente die halsstarig haar eigen weg blijft gaan. Juist daarom geldt deze waarschuwing ons allemaal: blijf luisteren, en blijf je laten corrigeren door het Woord. "Begrijp dan toch dat zij die uit het geloof zijn, Abrahams kinderen zijn" (Galaten 3:7). Wat had Paulus nog meer moeten schrijven om het duidelijk te maken?

Begrijp ons goed: dit is een liefdevolle waarschuwing, geen oordeel over personen. We vragen maar één ding: blijf de Schrift onderzoeken. Lees zelf, en kijk of het klopt wat je denkt. En wil je dit artikel echt op de proef stellen, lees de Bijbel dan eens van kaft tot kaft, met alles wat hier staat in je achterhoofd. Wij geloven dat je dan zult ontdekken waarom wij menen dat deze lijn door de Schrift heen te herkennen is. Tegelijk willen we nederig blijven en erkennen dat gelovigen die Christus liefhebben op onderdelen tot een andere uitleg kunnen komen. Ons verlangen is niet om gelijk te krijgen, maar om samen te blijven luisteren naar de Schrift, die van Genesis tot Openbaring naar Jezus Christus wijst.

In steeds meer kerken krijgen symbolen van de moderne staat Israël een plek, zoals de vlag en de davidster. Goed om te beseffen: die davidster is geen Bijbels symbool, je vindt hem nergens in de Schrift. Het is een veel later teken van Joodse identiteit, overgenomen door de zionistische beweging en sinds 1948 op de vlag van de staat. Het is dus een symbool van een land, niet van ons geloof en niet van Christus. Voor je het weet vereenzelvig je zo alsnog de staat met het Bijbelse Israël, terwijl we juist zagen dat dat twee verschillende dingen zijn. Onderzoek daarom als gemeente eerlijk waaróm zulke symbolen een plek zouden krijgen, en laat in de samenkomst Christus centraal staan, niet een land, een volk of een vlag.

Bedenk daarbij ook dat zulke symbolen verdeeldheid in de gemeente kunnen brengen, want er zijn broeders en zusters die er aanstoot aan nemen omdat ze de visie van dit artikel delen. En juist daarvoor waarschuwt Paulus: hij roept ons op om onze broeder geen aanstoot of struikelblok te geven (Romeinen 14:13), en om hen in het oog te houden die onenigheid en struikelblokken veroorzaken (Romeinen 16:17). Daarom is wijsheid nodig in de manier waarop zulke symbolen in een gemeente worden gebruikt. Niet ieder verschil van inzicht hoeft verdeeldheid te worden. Laten we elkaar daarin niet veroordelen, maar zoeken naar wat de vrede dient en Christus centraal houdt.

„En de Geest en de bruid zeggen: Kom! En laat hij die het hoort, zeggen: Kom! En laat hij die dorst heeft, komen; en laat hij die wil, het water des levens nemen, voor niets.”
Openbaring 22:17

De uitnodiging staat open, voor iedereen!

Jezus vat het zelf eenvoudig samen in de gelijkenis van de bruiloft (Mattheüs 22). Een koning bereidt een bruiloft voor zijn zoon en nodigt gasten uit. Maar de eerst genodigden wilden niet komen. In onze lezing verwijzen de eerst genodigden in deze gelijkenis naar degenen binnen Israël die als eersten Gods uitnodiging ontvingen: door de profeten en uiteindelijk door Jezus zelf. "Hij kwam tot het Zijne, maar de Zijnen hebben Hem niet aangenomen" (Johannes 1:11). Toen velen van hen Hem afwezen, gingen de dienaren de straat op en werd iedereen uitgenodigd, "zowel slechte als goede mensen". Aan het einde klinkt: "velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren." Waarom weinigen? Omdat de meesten niet wilden komen. De uitverkorenen zijn juist zij die kómen.

Zo is het ook met dit hele onderwerp. We kunnen er een ingewikkeld en pijnlijk strijdpunt van maken, maar Jezus legt het kinderlijk eenvoudig uit: kom. De uitnodiging is voor de Jood, de Griek én de moslim precies dezelfde: ieder mens wordt geroepen tot Christus. "En de Geest en de bruid zeggen: Kom! ... en laat hij die wil, het water des levens nemen, voor niets" (Openbaring 22:17).

Daarom hebben zowel Joodse als islamitische mensen, evenals ieder ander mens, ons gebed en het Evangelie van Jezus Christus nodig. Niemand staat buiten Zijn uitnodiging en niemand mag door ons worden gereduceerd tot een groep of een standpunt. Daarin hebben wij zelf een taak. Paulus schrijft in Romeinen 11 dat wij, door zelf uit het Evangelie te leven, anderen "tot jaloersheid" mogen verwekken, zodat ook zij behouden worden (vers 11 en 14). Dát is onze roeping: mensen winnen voor Christus. Niet om als christenen een land te steunen en dat "Gods volk" te noemen, zeker niet wanneer daar ernstige onrechtvaardigheden en oorlogsmisdaden plaatsvinden. Ons verlangen gaat uit naar mensen en naar hun redding, of ze nu Jood, Griek of moslim zijn.

Wil je hier verder met ons over doorpraten? Je bent van harte welkom. En blijf vooral zelf de Bijbel lezen, want alles daarin wijst naar Jezus Christus. We wensen je van harte Gods zegen op de reis die je met Hem mag maken. Bid daarbij om de leiding van de Heilige Geest, zodat de Bijbel steeds helderder voor je wordt; want de Geest, de zalving die je van God hebt ontvangen, onderwijst je in alle dingen (1 Johannes 2:27).

En ben je niet zeker over je redding? Lees dan eens onze pagina Wie is Jezus?. Daar leggen we uit wie Hij is en wat het betekent om Hem te leren kennen.

Stel gerust je vraag

Een vraag over het geloof?

Je bent niet de enige met vragen. Veel mensen vragen zich af wie Jezus is, waarom er lijden bestaat, wat er in de wereld gebeurt of hoe geloof werkt. Hieronder vind je antwoorden op vragen waar mensen al generaties lang mee rondlopen. Staat jouw vraag er niet tussen? Stel hem gerust hieronder.

Misschien wel de belangrijkste, en de mooiste, vraag die je kunt stellen. Want Jezus is geen verhaal van lang geleden, maar Iemand die je vandaag echt mag leren kennen. Heeft Hij werkelijk bestaan? En als dat zo is, wie is Hij dan voor jou? We nemen je daar graag in mee, van het historische bewijs dat Hij geleefd heeft tot wat het voor je leven kan betekenen om Hem persoonlijk te kennen.

Lees verder op de pagina Wie is Jezus?

Het korte antwoord is: om onze zonde. Maar wat is zonde eigenlijk? Het gaat niet in de eerste plaats om de losse dingen die misgaan, zoals een leugen of iets wat je ooit hebt gestolen. Dat zijn eerder de gevolgen; het werkelijke probleem zit dieper.

Het begon al in het paradijs. God gaf de mens bewust een vrije keuze, want zonder vrijheid is er geen echte liefde en geen echte relatie mogelijk; je zou niet meer dan een robot zijn. Maar de mens koos zijn eigen weg en keerde God de rug toe. En precies dat is de kern van zonde: niet zozeer één verkeerde daad, maar dat we bij God zijn weggelopen en de relatie met Hem hebben losgelaten.

En juist die relatie wilde God herstellen. Het bijzondere is dat wij dat herstel niet zelf kunnen verdienen, hoe hard we ook ons best doen. Daarom deed God het zelf: Jezus stierf aan het kruis om weg te nemen wat tussen ons en God in stond. Niet omdat wij het verdienden, maar uit liefde. „Want zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft” (Johannes 3:16). Jezus stierf dus niet omdat je het verdiende, maar omdat je geliefd bent. En God wil die relatie ook met jou herstellen.

Deze vraag komt misschien vaak bij je op wanneer je het nieuws volgt. Wat gebeurt er toch allemaal? Soms lijkt het wel of iedereen doordraait. Het is een begrijpelijke vraag, en er is ook een antwoord op. Dat vinden we in de Bijbel.

Veel van wat we om ons heen zien, raakt aan wat de Bijbel de eindtijd noemt: de periode die toeloopt naar de terugkomst van Jezus. Dat klinkt misschien spannend, maar het is vooral een boodschap van hoop. Het laat zien dat de geschiedenis niet stuurloos is, maar in Gods handen ligt, en dat Hij de wereld eens helemaal nieuw zal maken.

In onze gemeente hebben we hier een serie Bijbelstudiemiddagen aan gewijd, waarin de eindtijd uitgebreid aan bod komt. Je vindt ze op de pagina hieronder.

Bekijk de Bijbelstudies over de eindtijd

Wat een super mooi verlangen. De doop is een feestelijk moment waarop je openlijk laat zien dat je bij Jezus hoort en Hem wilt volgen. En het is niet alleen een mooi moment om te beleven; het is net zo waardevol om ten diepste te begrijpen wat de Bijbel over de doop leert.

In de Bijbel volgt de doop namelijk op het geloof. Een mooi voorbeeld staat in Handelingen 8. Filippus ontmoet daar een kamerheer uit Ethiopië die in de Schriften zit te lezen zonder ze te begrijpen. Filippus legt hem uit wat er staat en vertelt hem over Jezus. Zodra de kamerheer tot geloof komt, ziet hij water langs de weg en vraagt hij of hij gedoopt mag worden, en zo gebeurt het: hij wordt gedoopt op grond van zijn geloof. Eerst dus het onderwijs uit de Schriften en het geloof, en daarna pas de doop.

Wat er bij de doop gebeurt, legt Paulus uit in Romeinen 6. Door onder te gaan in het water beeld je uit dat je oude leven met Christus gestorven is en dat je samen met Hem opstaat in een nieuw leven (Romeinen 6:3-4). Dat opstaan in een nieuw leven gebeurt eigenlijk al bij de wedergeboorte, het moment waarop je tot geloof komt en God je van binnenuit nieuw maakt. De waterdoop laat die innerlijke werkelijkheid zichtbaar zien.

Maar denk niet dat het daarmee alleen een mooi gebaar is. De doop is geen droge handeling zonder uitwerking, en God heeft hem ook niet ingesteld om enkel een bijzonder moment te beleven en verder niets. Je maakt openlijk bekend, voor de mensen om je heen en in de geestelijke wereld, dat je van Jezus bent. Het is een daad met gewicht, die ook in het onzichtbare gezien en gehoord wordt.

Hoe de doop precies in zijn werk gaat en wat het betekent, bespreken we graag samen. En we maken ook graag eerst kennis met je. Als gemeente dragen we namelijk mede de verantwoordelijkheid dat iemands getuigenis en belijdenis van het geloof oprecht is, en juist daarom leren we elkaar eerst graag goed kennen.

Neem contact op om een afspraak te maken

Dit is misschien wel de moeilijkste vraag die er is, en we willen er eerlijk over zijn: de Bijbel geeft geen kant-en-klaar antwoord dat alle pijn in één keer verklaart. Maar de Bijbel laat ons ook niet met lege handen staan.

Om te beginnen: God is niet de oorzaak van het lijden. Toen de mens zich van God afkeerde, raakte niet alleen ons eigen hart beschadigd, maar de hele wereld. Lijden, onrecht en dood horen niet bij hoe God het bedoeld heeft; ze zijn een gevolg van die gebrokenheid. God heeft het kwaad dus niet gewild, al geeft Hij ons wel de vrijheid waarin het kan bestaan.

Vaak vragen we ook: waarom laat God dit dan toe? Maar eerlijk gezegd zoeken we daarmee soms een excuus voor de keuzes die wij zelf maken. Veel van het lijden in de wereld komt namelijk niet van God, maar uit onze eigen handen. Neem oorlog: als we daar morgen mee zouden stoppen, was er vrede. God houdt de wapens niet vast, dat doet de mens.

Het bijzondere van het christelijk geloof is dat God het lijden niet van een afstand bekijkt. In Jezus is Hij zelf mens geworden en heeft Hij verdriet, pijn en zelfs de dood gekend. Je hebt dus geen God die het niet snapt, maar Eén die er middenin is geweest en naast je wil staan.

En de Bijbel belooft dat dit niet het einde is. Er komt een dag waarop God alles nieuw maakt, waarop Hij elke traan van de ogen afwist en er geen dood, verdriet of pijn meer zal zijn (Openbaring 21:4). Zodat het wordt zoals God het bedoeld heeft. Tot die tijd mogen we, juist ook met onze waaroms, bij Hem schuilen.

Staat je vraag er niet bij? Zoek ook eens in onze artikelen

Stel hem hieronder, dan nemen we persoonlijk contact met je op.

We gaan zorgvuldig met je gegevens om en reageren persoonlijk.